|
|
|
|
Driesen - Antwerpen
EEN FAMILIEGESCHIEDENIS Door: Hugo Driesen Beginnende met een anekdote: Mijn grootvader Frans Driessen was werkzaam op de scheepswerf Cockerill te Hoboken. Hij had een leerjongen bij hem om hem te helpen bij het traceren van het werkstuk. U moet weten, dat mijn grootvader heel godsdienstig was. Mijn grootvader maakte voor hij het werk begon eerst een kruisteken ( op de werkvloer wel te verstaan) en hij verplichtte de leerjongen Charles om dit ook te doen. De leerjongen deed dit natuurlijk, want in die tijd luisterde de jonge mensen naar ouderen. Dat is nu wel anders. Mijn grootvader werd om die rede dan ook 'PATERKE' genoemd. Op de deur van zijn kast waar hij zijn klederen hing, had men ook 'amen' op geschreven. Het begin: Frans Driesen ziet het levenslicht in Hoboken op 18 juni 1893 om zes uur ’s morgens. Hij is het eerste kind van Jan Driesen en Catharina Mennes. Zijn vader is een Antwerpenaar en zijn moeder is afkomstig van Hoboken. Hun huwelijk vindt plaats in Hoboken. Eén jaar na de geboorte van Frans ziet een tweede kind van het mannelijk geslacht het levenslicht. Hij krijgt dezelfde voornamen als zijn broer. Op 31 juli 1896 wordt een zusje geboren. Ze wordt Marie-Louisa genoemd maar sterft enkele maanden later aan de gevolgen van een ongeluk. Het spijtige voorval wordt veroorzaakt door broertje Frans. Marie-Louis ligt in haar houten wiegje wanneer Frans zijn zusje even wil bekijken. Om dit te doen kruipt Frans op de grote wielen. Het wiegje wordt uit evenwicht gebracht en het wichtje komt hard op de stenen vloer terecht. Het is op slag dood. In 1898 wordt er nog een levenloos kind geboren. Frans Driesen interesseert zich geweldig voor de familiegeschiedenis en op latere leeftijd legt hij een soort van dagboek aan waarin hij allerlei gebeurtenissen neerschrijft. Hierna volgen fragmenten uit dit dagboek. Herinneringen van het moederhuis en moedersvertellingen zijn momenten uit het leven van zijn moeder Catharina Mennes. Herinneringen van het “Moederhuis” Moeder vertelt dikwijls over haar ouders, broers en zusters. Haar ouders Joannes-Baptist Mennes, geboren in Hoboken op 8 december 1836, en Joanna Hellemans eveneens geboren in Hoboken huwen in de gemeente op 24 november 1858. Ze krijgen tien kinderen, zeven jongens en drie meisjes en wonen in een huisje gelegen aan het kasteel van Moretus. Later houdt Joanna café aan de Oudestraat. Het eerste kind Fredericus, geboren in Hoboken op 20 september 1857, wordt metser van beroep en trekt op jeugdige leeftijd naar Amerika. Hij vindt werk in New-York. Hij krijgt echter heimwee naar “moederhuis” en keert in 1888 met de stoomboot terug naar Antwerpen. Hij vertrekt voor een tweede keer naar Amerika maar is ditmaal vergezeld van zijn vrouw Maria Beeckmans en hun dochter Maria. Deze dochter huwt daar maar overlijdt kort nadien. Fredericus keert dan terug naar “moederhuis”. Ze hebben cadeautjes bij voor de ganse familie. Voor de ouders is er een grote klok en de andere familieleden kunnen zich verkneukelen aan een fonograaf. Hij blijft met zijn echtgenote een tijdje in “moederhuis’ waarna hij aan de zuiderdokken in Antwerpen een café gaat uitbaten. Joannes Franciscus is de tweede in de rij. Hij wordt geboren op 4 augustus 1860. Hij huwt met Henrica Pauwels en krijgt bij haar zeven kinderen. Hij is riger van beroep wat wil zeggen dat hij de touwen van de schepen moet nakijken op Cockerill. Hij is ook nog kolendrager op die schepen. Catharina Josephina (=moeder van Frans Driesen) wordt geboren op 3 augustus 1863. Ze verlooft zich met Jan Driesen en trouwt met hem in Hoboken op 18 juni 1892. Jan werkt ook op Cockerill dat toen nog in Antwerpen gevestigd is. Hij is op zijn werk als er een ontploffing is bij de buskruitfabriek van Austruweel. Hij ziet “een grote zwarte bal” en meent hierin “armen en benen” te onderscheiden. De werf komt naar Hoboken en Jan die nog bij zijn ouders aan de Lozannaplaats woont verhuist bij zijn huwelijk eveneens naar Hoboken. Op de werf worden veel Russische schepen gebouwd. De grote worden op de werf helemaal klaar gemaakt maar de kleinere worden in delen naar Rusland verzonden. Daar moeten ze nog gemonteerd worden. Voor dit werkje heeft men echter vrijwilligers nodig. Jan Driesen heeft steeds geweigerd om naar Rusland te vertrekken. Hij overlijdt in Hoboken op 21 september 1939. Catharina blijft alleen achter en woont nog een tijdje op de Dorpsplaats. Zij overlijdt op 21 augustus 1955. Het vierde kind is Joannes Augustinus en wordt geboren op 20 december 1865. Hij huwt met Maria Henrica Cop die familie is van de bekende pottenbakkers. Hij is metser van beroep. Het gezin telt zeven kinderen. Joannes Mennes overlijdt in Hoboken op 31 januari 1938. Nummer vijf is Andreas Jacobus. Hij komt ter wereld in Hoboken op 11 maart 1867. In 1896 verhuist hij met zijn gezin naar Antwerpen waar hij op de Vrijdagmarkt een café gaat uitbaten. Petrus Constantinus wordt geboren in Hoboken op 9 oktober 1868. Hij overlijdt één jaar later op 19 oktober 1869. Joanna Bertina is het tweede meisje en het zevende kind. Zij komt op de wereld op 2 januari 1870. Ze huwt met Jan Binard en verzorgt de maaltijden in het café van moeder. Ze kan een pintje verzetten. Bij vastenavond verkleedt ze zich als oude man en drinkt dan tot ze van “zattigheid” op de grond tuimelt. Op 10 maart 1941 overlijdt zij in Hoboken. Nummer acht krijgt bij zijn geboorte in Hoboken op 3 september 1872 de naam Franciscus Isidoor. Hij huwt met Maria Venneman. Franciscus sterft in Hoboken op 25 maart 1940. Maria Catharina wordt als derde meisje in Hoboken geboren op 20 november 1875. Ze huwt Omer Bruggeman. Ze leert hem hoogstwaarschijnlijk in ‘moederhuis” op café kennen. Omer is wielrenner en toert mee in kermiskoersen. Nu en dan gaat hij in Antwerpen op de “pist” oefenen. Hij neemt éénmaal deel aan Bordeaux-Parijs. Hij komt echter platzak in Hoboken aan. In 1908 bouwt hij in Hoboken een café. Dit is gelegen op de Dorpsplaats naast het huis van architect Van Rompaey en heeft een bovenverdieping en een werkhuis achteraan waar fietsen worden gemaakt en hersteld. Hij verhuist in 1920 met vrouw en drie kinderen naar Antwerpen. Franciscus Constantinus is het laatste kind. Hij wordt ook in Hoboken geboren en wel op 15 maart 1878. Hij huwt met Maria Joanna Verhaert. Zij krijgen één zoon en één dochter. Moeders vertellingen Ons armoedig huisje paalt aan het domein van de familie Moretus en dit is een doorn in hun oog want telkens er een groot feest plaats vindt kijken wij over de haag naar al die mooie dames in hun schitterende kleren. Via een stroman verplichten ze ons om het huisje te verkopen. Vader is al op 49 jarige leeftijd overleden en moeder koopt een stukje grond aan de Oudestraat richting Sint Bernardsesteenweg. Zij laat er een café bouwen. Het is van hout en heeft een keuken en een slaapkamer. Naast het café komt een gloriet (= prieeltje) met houten tafels en banken om de gelegenheidsreizigers de kans te geven even te verpozen en hun dorst te lessen. Het café ligt recht tegenover het erf van boer Zegers. Achter het café is er een houten loods die als woonplaats dient voor de twee dochters, Maria en Bertine, die helpen bij de bereiding van de maaltijden en eveneens de bediening voor hun rekening nemen. Op zaterdagavond komen de boeren naar het café. Ze komen voor een scheerbeurt en pakken “en passant” een pintje. In de tuin worden allerlei groenten gekweekt. Aan de overkant van de steenweg ligt de boerderij van boer Constant Van de Perk. Hij zorgt voor concurrentie want hij laat ook een café bouwen. Als attractie wordt er aan wipschieting gedaan. Moeder blijft niet in het café. Het wordt verkocht en zij trekt met Bertine naar de Herdstraat. Hoboken is in die tijd geen rustige gemeente. Er zijn heel wat politieke spanningen. De verkiezing van Coen als burgemeester lokt heel wat rumoer uit. Het loopt zelf zo uit de hand dat drie rijkswachters te paard met blanke sabel moeten optreden. Eén gendarme komt tegen een metalen steunpilaar terecht en vliegt over zijn paard. Een tweede die de Lelieplaats komt opgestormd belandt in de vijver en de derde druipt af naar de kazerne. Het waren erg woelige tijden. Jeugd en militaire dienst
Als knaap loop ik school in de Kapellestraat. Op achtjarige leeftijd word ik lid van de Sint-Jan Berchmans turnkring en zal dat blijven tot mijn op pensioenstelling. In 1911 ga ik werken in de Vlaamse ketelmakerij als helper traceerder. Mijn vader werkt er ook. Ik blijf er werken tot ik opgeroepen word om mijn legerdienst te volbrengen. Mijn vrouw Liza leer ik kennen in een café op de Dorpsplaats. Ze is er met haar vader en ze zitten achteraan in het café. Ik vraag haar om te dansen en ze antwoordt dat ze dat niet kan. “Ik leer het je wel”, zeg ik. Maar we zijn nog maar net op de dansvloer of we liggen al tussen de tafels. Ik heb haar dan maar terug naar haar vader gebracht. Een jaar later ontmoet ik haar weer op een bal. Ik ben haar weer gaan halen om te dansen. Het lukte dit keer. We besluiten verder met elkaar om te gaan. Ze werkt in een naaiatelier aan de Berkenrodelei en wilt later naaister worden. Ik vraag haar of ik met haar verkering mag hebben en ze zegt dat ik dat aan haar vader moet vragen. Hij geeft zijn toestemming en ik mag haar voor het eerst een kus geven. Elisa Dussen (geboren in Hoboken op 9.12.1891) is de dochter van Felix Dussen (Berchem, 20.11.1850) en Joanna Joacim (Antwerpen, 23.01.1852). Ze woont in het Sint-Andrieskwartier in Antwerpen. Haar vader werkt op Cockerill. Wanneer Cockerill naar Hoboken overgebracht wordt, verhuist ook het gezin Dussen naar de gemeente. Op de werf krijgt Dussen de bijnaam de ‘gids’. Men beweert dat Felix Dussen van adellijke komaf is. Zijn moeder diende in een adellijk gezin en geraakte in verwachting. Ze trouwt met Franciscus Dussen en deze erkent het kind. Felix is dan al vier jaar. Het gezin Franciscus Dussen-E Van Diependael krijgt nog 6 kinderen. Ze sterven allemaal aan de gevolgen van cholera. Enkel Felix blijft over. Felix Dussen en Joanna Joacim krijgen 6 kinderen. De cholera-epidemie die Antwerpen teistert ontneemt het gezin 4 kinderen. Mijn Elisa overleeft. Korte tijd na onze ‘verloving’ word ik opgeroepen. Ik ben van de klas van 1913 en ga bij de “pontonniers”. Ik word ingekwartierd in Burcht. Ik geef mijn “lief’ een kaartje waarmee ik “trouw en liefde” beloof. Na een tijdje hoor ik niets meer van haar. Ze heeft een andere vrijer. Tijdens een pompiersfeest in café Rodenbach op de Dorpsplaats kom ik ze terug tegen. Ik dans met haar en ze zegt me dat ze niet meer vrijt. Later vind ik in de brievenbus van de kazerne een brief met een portret van haar. Nog later komt ze met haar vader op bezoek. Ik krijg van mijn overste verlof om met haar en haar vader een pintje te gaan drinken. De oorlogsdreiging is ondertussen reeds begonnen en we krijgen het bevel om naar de brug van Hemiksem te gaan. Ik wil mijn ouders en mijn lief nog een keertje zien en in Hemiksem aangekomen, vraag ik de sergeant enkele uurtjes vrij af. Hij stemt toe en ik trek naar mijn ouders. De sergeant bedank ik met een gestroopt konijntje. Tijdens en na Wereldoorlog I De oorlog gaat verder en Antwerpen wordt bedreigd. We moeten de brug van Hemiksem afbreken. Ze bestaat uit twee delen en ieder deel moet naar Antwerpen afdrijven. Ik moet met het eerste ponton mee. Ik ben mij echter gaan verschonen in een café en het eerste ponton vertrekt zonder mij. Ik moet dan maar met het tweede mee. Er is echter nog geen bevel en we overnachten dan maar in de machinekamer van de overzetboot naar Bazel. ‘s Morgens komt het bevel tot afvaart en drijven we naar Antwerpen. Daar aangekomen moeten we de pontons laten zinken evenals al de schepen die aan de kade liggen. Mijn ouders die op de vlucht zijn, vertoeven ook in Antwerpen. Ze willen via Nederland naar Engeland. Ik neem hen mee naar de brug over de Schelde aan hangar 1. Daar vraag ik aan de overste of mijn ouders mogen oversteken. Hij geeft toestemming. Ik moet terug naar de kazerne. Daar worden we zwaar bewapend en krijgen de opdracht richting Temse te trekken en alle schepen te kelderen die we tegenkomen. Met 19 trekken we naar Temse. We geraken in Bazel en hebben nog geen enkel schip gezien. Het is al laat en we overnachten in een schuur. ‘s Morgens zoeken we een café om iets te kunnen eten. Na de maaltijd trekken we terug naar de schuur. We blijven er de hele dag. In de late namiddag gaan we terug eten. Bij mij wordt het eten erg laat opgediend en wanneer ik weer aan de schuur ben zijn alle pontonniers reeds weg. Ik tracht hen in te halen maar neem een verkeerde weg en kom in Sint-Niklaas aan. Daar staat een trein klaar om vluchtelingen naar Nederland te brengen. Ik stap op. In Klinge doet een officier teken van op het perron om uit te stappen. Ik vertik het. In Terneuzen moet iedereen van de trein. Daar er Duitsers worden gesignaleerd ga ik met andere soldaten de wacht houden bij de grens. De Duitsers blijken echter Engelsen. Men deelt mij in bij vluchtelingen uit Mechelen. Ik ben nog altijd zwaar bewapend. Te voet gaat het naar Hulst. Als gewapend soldaat mag ik Hulst niet in, Bij een boer begraaf ik mijn wapens, mijn munitie en mijn uniform. Enkele vluchtelingen bezorgen mij klederen. In Hulst beleef ik de verrassing van mijn leven. Wie zie ik er ? Mijn ouders, mijn lief en haar ouders. Op de gemeenteplaats van Hulst worden klederen voor de vluchtelingen op een hoop gesmeten. Iedereen haalt er uit wat hem past. Ik neem een piottenvest en voel me weer soldaat. Mijn ouders kunnen naar Engeland vertrekken. Mijn lief gaat naar Amsterdam en ik word ingedeeld bij een groep andere militairen die naar een kamp in Harderwijk moeten. Het kamp is nog niet af en wij slapen met zessen in een tent. Ons bed is een hoop stro. Naast mij ligt een Vlaams sprekende Waalse stroper. Wegens mijn vest krijg ik de bijnaam “piot. De barakken worden gebouwd en met dezelfde zes trek ik in nummer 16 in. Wij krijgen een slaapzak en een deken. Aan ons bed is een kastje waar we ons eetgerei in kunnen opbergen. Veel is er in het kamp niet te doen en samen met mijn vriend de stroper maak ik van lege sigarenkistjes sierdozen. We trachten ze te verkopen in de kantine. Het kamp wordt uitgebreid. Er komt een bibliotheek, een drukkerij, een ziekenboeg en voor de Belgen een ‘frietkot”. Ik schrijf naar mijn lief in Amsterdam dat ik het kamp wil ontvluchten. Mijn brief wordt door het kampbestuur gelezen. Mijn lief komt mij eindelijk bezoeken maar ik krijg geen toestemming om de stad in te gaan. Ik wil immers vluchten. Ik bedenk een list. Ik laat me op het bureau achterover vallen. Ik verwond me. Ik word verzorgd en mag dan toch het kamp verlaten. Ik geniet. Maar.., er loopt een gewapende soldaat achter ons. Traceerder van beroep zijnde, moet ik gaan werken op de scheepswerf Dordrecht. Een tijd later word ik verplaatst naar een kleinere scheepswerf in Papendrecht. Daar verblijven we in barakken waar we bewaakt worden. Ons loon wordt op een spaarboekje gezet. We zullen het maar eerst na de oorlog kunnen gaan opvragen. In Papendrecht zijn wij wel veel vrijer. Wij mogen vier maal per week alléén de stad in en de familie mag ook naar daar verhuizen. Liza en ik willen trouwen. Mijn ouders moeten echter toestemming verlenen en die wonen in Engeland. Via de ambassade komen de documenten in orde, Wij huwen in Papendrecht op 4 augustus 1916. Ons eerste kind wordt daar geboren en we geven het de voornaam van mijn schoonvader: Felix. We zijn 17 augustus 1917. De oorlog loopt ten einde en ik word vrijgelaten op 15 december 1918. Op 21 december vertrekken we naar Hoboken. Ik ga terug bij mijn vorige werkgever, de ketelmakerij, werken. Rond 1919 is er beroering in de fabriek. Ik vraag aan de meestergast, Maurice De Lange, loonopslag van iets boven de 2 fr. per uur, zowel voor mijn vader als voor mij. We krijgen het niet. Ik neem dan de wijk naar Cockerill. Als bij toeval val ik bij de propagandisten Flor Sterk en Lode De Lei. Door hun bemiddeling kom ik bij directeur Smal terecht en word ik aangeworven als traceerder. Het grappige is dat er geen werk voor een traceerder is. Ik sluit me aan bij het ACV op 20.3.1920 en krijg nr. 207. Mijn eerste werk is de boel wat opruimen in het werkhuis. Daarna krijg ik de opdracht een kleine kraan te ontwerpen om goederen naar de eerste verdieping te hijsen. Er werken ook enkele oudere traceurs en die hebben allen een bijnaam: de neus, de vlaag en Peer Veryken. Nortje van De Peir is mijn meestergast. In het kleine dok, voor het houtmagazijn, ligt een onafgewerkte Sternweel (rivierschip) voor de Congo, die nog door drijfraderen voort bewogen wordt. Ik krijg opdracht het schip verder af te werken. ‘s Middags ga ik altijd eten in de oude werkplaats waar mijn grote koffer staat en waar ik mijn klederen en mijn eten in opberg. Ik bid voor het eten een weesgegroet en maak daarna een kruisteken. Eén van mijn werkmakkers heeft op mijn kist “Amen” geschreven. Wie het gedaan heeft, heb ik nooit geweten. Leon Van den Bossche krijgt opdracht om in de Congoboot Leopoldville de machinekamer en de ruimen te traceren. Een goede maand later neemt hij ontslag en gaat als meestergast op de scheepswerf te Rupelmonde werken. Ik krijg opdracht om het werk van Leon af te werken en ik neem een helper in dienst. De oude traceurs pikken niet dat ik me als jongeling, op zo’n korte tijd opwerk. Die oude traceurs eisen dat ik lid word van de vakbond van de socialisten, Ze zeggen dat ze gaan staken om mij uit de scheepswerf te drijven. Ze voegen de daad bij het woord en blijven na het middageten aan de poort staan. Ik krijg, aan mijn werkbank, het bezoek van de socialistische vakbondsleider. De heer Dupont moet bemiddelen van de directie. Dezelfde middag krijg ik ook nog het bezoek van Ingenieur De Bievre. Hij komt mij melden dat de poort voor de gehele werf gesloten blijft. Maar in de namiddag zijn er onderhandelingen tussen Dupont en de directie en de volgende dag komen mijn collega’s terug werken. Op 30 september 1919 koop ik een huis in de Elststraat nr. 14 (nu nr. 18) voor de prijs van 9.000 fr. Mijn schoonvader Felix Dussen geeft een voorschot van 1.000 fr. Een tijd later zijn er weer stakingen op de Cockerill uitgelokt door propagandist Sooi Peters. Maar die worden door de directie gebroken. Een korte tijd later staken de bedienden. Ik heb een vrouw en kinderen ten laste en door al die stakingen word ik verplicht uit te wijken naar Mercantille. Na afloop keer ik terug naar Cockerill. Ik ben nog enkele keren terug naar Mercantille en Biliard gaan werken maar keerde steeds terug naar Cockerill. In 1920 heeft de familie Smidts het voornemen een scheepswerf op te richten in Hemiksem. Ik word gevraagd om bij hen te komen werken. Ik weiger omdat ik goede vooruitzichten heb op Cockerill Tijdens de tweede Wereldoorlog ligt Cockerill stil. In die periode werk ik voor het Rode Kruis en krijg de palmen 1940-1945 voor bewezen diensten. Ook na de oorlog blijf ik lid van het Rode Kruis. Tijdens die periode werk ik voor eigen rekening als vertegenwoordiger. Na de oorlog trek ik terug naar de “zaat” en blijf er tot aan mijn pensioen in 1958. Mijn vrouw overlijdt in Hoboken op 20 maart 1962. Ik heb mij dan ingezet voor de O.-L.-Vrouwparochie waar ik allerlei klusjes doe voor de minstbedeelden. Ik ben ook lid van O.-L-.Vrouw van Averbode en als medewerker werf ik nieuwe leden aan. Mijn kinderen FELIX, geboren in Papendrecht (P11) op 17.8.1917 wordt bouwkundig ingenieur. Zijn huis in de Van de Perrelei 36 heeft hij zelf getekend. JEANNE JOSEPHINE, geboren in Hoboken op 5.7.1919 treedt als gasthuiszuster (Augustinessen van Antwerpen) in het klooster in 1941 en wordt er geprofest op 28.5.1946. Na haar studies als verpleegster werkt ze in verschillende congregaties. Ze studeert verder voor vroedvrouw. In december 1965 komt ze naar het Sint-Jozefziekenhuis (De Bijster) in Essen waar zij tot 1976 blijft. Ze doet er ongeveer 300 bevallingen. Op 29 september 1991 viert men het feit dat ze 50 jaar geleden in het klooster trad. Nu is zij overste over enkele zusters in het klooster aldaar.
JAN KAREL, geboren te Hoboken op 24.8.1920 gaat naar ‘t Hofke van Thys naar school en gaat later op de “zaat” werken als traceerder. Tijdens de tweede wereldoorlog gaan Jan en broer August werken in Duitsland. Het geld dat ze daar gaan verdienen zullen ze naar huis sturen. Op 12 mei 1941 vertrekken ze met een speciale trein naar Dresden waar ze in een beroepschool het beroep van draaier leren. In juli wordt hij plots ziek en wordt naar de ziekenzaal verplaatst. Hij wordt met een longontsteking naar het ziekenhuis gebracht. Hij (Jan, John genaamd) overlijdt op 29 juli 1941 om 15.30 uur te Dresden. Hij wordt gebalsemd. August krijgt verlof om zijn broer naar huis te begeleiden. Alle kosten worden door de Duitse Overheid betaald. De wagon waar de kist ligt wordt verzegeld en August moet plaats nemen in de postwagen. De trein vertrekt op 4 augustus om 14.42 uur. Hij komt op 7 augustus om 16.41 uur in Hoboken aan. FRANS AUGUST, geboren te Hoboken 22.7.1922. Na het overlijden van broer Jan in Dresden gaat hij werken als draaier in de meubelfabriek Koch und Sterzal. Hij stuurt maandelijks 3.000 à 4.000 fr. op naar zijn ouders. Op 12 februari 1945 wordt Dresden gebombardeerd, hij moet in de bunker op de markt gaan schuilen. Een tijd later gaat hij met enkele Polen naar Liggersdorf bij de Bodensee. Daar werken ze bij een boer op het veld van 6.00 tot 21.00 uur. Frans blijft er tot aan de bevrijding. BERTHA JULIA, geboren te Hoboken 11 juni 1925. Woont nog altijd bij haar zuster Maria. JOANNA AUGIJSTA, geboren te Hoboken 9.11.1928 treedt in het zelfde klooster van zuster Jeanne op 8.9.1952 en legt haar gelofte af op 2.9.1958 (zuster Paola). Ze is werkzaam als verpleegster in de volgende ziekenhuizen: Sint-Camillus - Stuivenberg en Sint-Elisabeth. Op 1.7.1982 wordt ze op pensioen gesteld. MARIA, geboren te Hoboken 3.6.1931, is gehuwd met Laurent Lemmens. Zij was verpleegster in het ziekenhuis van Hoboken en ze heeft vier kinderen. KAREL JOANNES, geboren te Hoboken 13.4.1934, is gehuwd met Astrid De Clerck en is concierge van beroep. Ze hebben vijf kinderen.
Bron:Familiemuseum “De Koeysteert”: verzameling handschriften van Frans Driesen. reactie's naar hugodriesen@hotmail.com
|
U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@archiefschoutens.nl.
|